Nederlands-Indië in oorlog
Het KNIL had aan gevechtstroepen niet meer dan 35.000 man beschikbaar, van wie 25.000 op Java waren gestationeerd. Het beroepsleger bestond voor meer dan tweederde uit Indonesiërs. Door de hogere commandanten werd betwijfeld of veel van die inheemsen, en vooral dan de Javanen, wel geschikt waren voor het voeren van een moderne oorlog. Er waren daarnaast een kleine 20.000 Europese dienstplichtigen, maar die waren nauwelijks bewapend en getraind. Ongeveer de helft van het KNIL bevond zich op Java en Madoera, de rest was verspreid over de zogenaamde Buitengewesten (Sumatra, Borneo, Celebes, Nieuw-Guinea, de Molukken en de andere eilanden in het oosten van de archipel). De bewapening van het KNIL was meer afgestemd op het handhaven van de rust en orde en op het neerslaan van interne opstanden, dan op de landsverdediging tegen een buitenlandse mogendheid. De meeste manschappen in de Buitengewesten waren slechts bewapend met een karabijn en een kapmes. Ook op Java was een tekort aan mitrailleurs, veldgeschut, mortieren, antitankwapens en luchtafweergeschut. De weinige artillerie die men had was soms totaal verouderd.
De vloot had geen enkel slagschip en geen enkel vliegkampschip en bestond welgeteld uit drie kruisers, zeven torpedobootjagers en twaalf onderzeeërs. Met het weinige dat de marine had, moest zij waakzaam zijn in een gebied dat bijna net zo groot was als heel Europa. Met de moed der wanhoop vond een inhaalslag plaats en draaide de wapenindustrie op volle toeren. In 1941 werd zestig procent van de begroting aan de defensie besteed.
Overheid en media deden er alles aan om de eensgezindheid en de kracht van de Indische defensie te benadrukken. Dit gebeurde tegen beter weten in. De bovenlagen van het bestuur en de strijdkrachten vreesden de Japanse militaire overmacht. In geval van een gewapend conflict was Indië kansloos en zou voor zijn verdediging afhankelijk zijn van de steun van de bondgenoten Engeland en de Verenigde Staten.
Begin juli 1941 nam de Japanse regering in het diepste geheim het besluit om Nederlands-Indië en overig Zuidoost-Azië zonodig ten koste van een oorlog met Amerika en Engeland binnen de beoogde ‘Groot-Oostaziatische Gemeenschappelijke Welvaartssfeer’ te brengen.’ Op 7 december 1941 begon de oorlog in de Pacific met een Japanse verrassingsaanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbour. In korte tijd schakelden Japanse bommenwerpers de Amerikaanse Pacific-vloot uit. Onmiddellijk na ontvangst van het nieuws van de Japanse aanval verklaarde de Nederlandse regering in Londen Japan de oorlog. Het Nederlandse gouvernement kondigde direct een algehele mobilisatie van het KNIL af. De Nederlandse kranten in Indië kwamen met optimistische berichten: het vertrouwen in de hulp van de bondgenoten Amerika en Engeland was groot. De meeste Indonesiërs beschouwden zich echter als toeschouwers in een oorlog die de hunne niet was.
Op 11 januari 1942 landden de eerste Japanse soldaten op Nederlands-Indisch grondgebied. Celebes en Borneo werden al snel bezet; Ambon, Zuid-Sumatra, Bali en Timor volgden spoedig. De Indische strijdkrachten bleken geen partij voor de Japanners. Op 1 maart zette het Japanse leger de aanval in op Java. De kusten van het hoofdeiland van de Indische archipel waren nagenoeg onverdedigbaar vanwege hun lengte. Het KNIL hanteerde een ‘verschroeide aardetactiek’ en vernielden olieraffinaderijen, vliegvelden en havens om te voorkomen dat zij Japanse handen zouden vallen. De ene terugtocht volgde op de andere en al na ongeveer een week leek verdere tegenstand zinloos. De Japanse bevelhebber gebood de komst van de twee hoogste gezagsdragers van Nederlands-Indië, gouverneur-generaal A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, en de legercommandant, luitenant-generaal H. ter Poorten, om over een algemene capitulatie te praten. De twee partijen ontmoetten elkaar op 8 maart op het vliegveld Kalidjati. De Nederlands-Indische legercommandant aanvaardde de Japanse eisen en beloofde de volgende dag, uiterlijk om 8 uur ‘s morgens, in een radiotoespraak de capitulatie bekend te maken.
